Podagristen

Podagristenpad

oit wel eens van Podagristen gehoord? Dan komt u vast uit Drenthe. Ik niet en daarom riep onderstaand bordje alleen vraagtekens op. We kwamen het tegen op de Vrijdijk in de buurt van grenssteen 31-IV. Het is kennelijk een onderdeel van een wandeling. Er staat een afbeelding op van drie joviale heren in een soort Dickensiaanse kledij. Wie zijn zij en wat hebben ze met de grens te maken? Na wat speurwerk weet ik dat ze met de grens niets te maken hebben maar er zijn wel parallellen met het schrijvende deel van het onderzoeksteam van de Overijsselse Grenspalen Verzamelaars Club.

De Podagristen waren drie Drentse heren van stand die leden aan podagra, voetjicht. In het kuuroord Bad Bentheim werden ze in 1843 verlost van hun kwaal en uit blijdschap maakten ze lange wandelingen in Duitsland en Drenthe. Mogelijk liepen ze zelfs het hele eind terug van Bad Bentheim naar Coevorden.

Tijdens de wandelingen hielden ze een dagboek bij. Hun smakelijke beschrijvingen van het landschap en de zeden en gewoonten van de mensen, met name in Drenthe, werden uitgegeven onder de titel: “Drenthe in vlugtige en losse omtrekken geschetst”. Dit werk hoort inmiddels tot de klassieke literatuur van Drenthe. Hadden ze in deze tijd geleefd dan waren ze misschien wel een website begonnen.

In de burcht van de graven van Bentheim zijn ze vereeuwigd in een steenreliëf. Bij het kasteel van Coevorden hebben ze een standbeeld. De Rotary Clubs van Coevorden en Bentheim hebben een 70 kilometer lange wandelroute uitgezet van de Duitse burcht naar het Drentse kasteel. Er is geprobeerd de wandelaar iets te laten proeven van de sfeer van 1843 toen men nog wandelde op ongeplaveide wegen door ongerepte landschappen. De oorspronkelijke route is daarom maar gedeeltelijk gevolgd. Ik weet dan ook niet of de Podagristen echt over de Vrijdijk hebben gewandeld.

Hier volgt een stukje uit een reisverslag van de Podagristen als ze onderweg zijn naar Uelsen. Het is om jaloers te worden.

“Wij vervolgden onze reis te voet over eene eenzame heide, langs een lijnregten weg. De schepping is hier uitgestorven. Ter nauwernood ontluikt er voor den voet des wandelaars een enkel nederig heidebloempje; zelden hoort gij hier eenig geluid, dan een afgedwaalden raaf, ’t getjilp eener grasmusch, die hij uwe nadering schichtig ’t nest verlaat of ’t eentoonig geschreeuw van een ontelbaar aantal kieviten, die hier hunne verzamelplaats hebben, om bij het naderen van ’t ongure weder, naar warmer streken te verhuizen. Eenmaal in ’t jaar slechts vertoonen zich hier sporen van menschelijk leven; ’t is de dag, waarop de Uelser kermis gehouden wordt. Dan is deze weg bezaaid met wagens, ruiters en voetgangers, die van alle kanten naar de beroemde jaarmarkt stroomen, en ter veraangenaming van dezen eenzelvigen togt hunne vreugde in luide gezangen lucht geven. Dan schateren de gehuifde boerenwagens van scherts en jokkernij, en zoo ze klappen dan is ’t niet zelden, van minneknepen en galanteriën.”

Aafke de Wijk


Bronnen:
www.oostermoer.nl
www.rotary1850.de
www.uelsen-und-umgebung.de