Nummer 100

e allerzieligste grenssteen de we tot op heden hebben gezien is nummer 100. Het is zelfs geen steen! Het is een metalen paaltje waar nog net een nummerplaatje omheen past. Ik weet niet hoe lang deze steen al verdwenen is. Het is in ieder geval niet de eerste keer dat er iets mis mee is.

Op 8 augustus 1871 gaat er een brief van het gemeentebestuur Ambt Hardenberg naar de Amtshauptman te Neuenhaus:
In antwoord op Uw schrijven van den 4e dezer heb ik de eer te berigten dat het door U gedane voorstel om op den 23e dezer de grensbezigting te verrigten en de schouw over de Radewijkerbeek door mij wordt goedgekeurd, en zal ik mij op voormelden dag op de voorgestelde plaats bij Scholtman bevinden, des morgens ten 9 ure.

Misschien was in augustus nog alles in orde, het resultaat van de bezichtiging van de grens is niet bekend. Op 26 september moet er al weer een delegatie naar de grens. Steen 100 ligt omver. Op 27 september 1871 gaat er een verslag naar de Amtshauptman te Neuenhaus:
Gisteren des middags ten 12 ure was ik ingevolge afspraak bij de grenssteen nr. 99, en heb circa 2 1/2 uur in een nabijgelegene woning op den heer Baake gewacht, ten einde de grens te bezigtigen. Te half drie ben ik langs de Balderhaar naar de Belt gegaan en vond aldaar het rijtuig van den heer Baake. Voor ik mij verwijderde was ik van gedachte dat de heer Baake door het slechte weder was verhinderd te komen en speet het mij naderhand, dat ik niet langer gewacht heb. De grenssteen nr. 100 ligt omver zooals de heer Baake zal hebben gerapporteerd. Het komt mij voor dat de verbranding van het houten raam aan moedwil moet worden toeschreven en verdenk ik de lieden, die de sloot langs de grens, beginnende ongeveer bij Balderhaar en eindigende juist bij de steen nr.100, het houtwerk in brand gestoken te hebben. Er kan niet gedacht worden aan een toeval bij veenbranden, daar op het veen in de nabijheid der steen geen spoor van vuur voorhanden is. De sloot is gegraven door de eigenaren van het veen gelegen in het Koningrijk Pruissen. Ik geef U in overweging een onderzoek in te stellen wie aan de bedoelde sloot hebben gearbeid en zoo mogelijk de zaak strafregterlijk te doen vervolgen. Mijnerzijdsch zal ook een onderzoek worden ingesteld. De steen dient in alle geval te worden opgerigt en is het de vraag hoe zulks met de minste kosten te doen en ook zoo dat die door moedwil of toeval niet weder omver valt.

Nummers 99 en 100 in 1900Op dezelfde dag gaat er een brief naar de Commissaris des Konings:
Overeenkomstig art. 43 van het Grenstractaat tusschen Nederland en Hannover van 1824, heb ik gisteren de Rijksgrens tusschen de Striepe en de Belt bezigtigd en bevonden dat de grenssteen nr. 100, staande in de scheidsloot in het veen van Itterbeek en Balderhaar, omver ligt. Die steen stond op vier palen en een eikenhouten raam, welke palen en raam zijn verbrand. Aan de oprigting der bedoelde grenssteen zullen kosten verbonden zijn, daar er een nieuw raam en nieuwe palen zullen benoodigd zijn. Ik heb de eer U een en ander mede te deelen met beleefd verzoek mij te willen inlichten, hoe te handelen met de oprigting der bedoelde grenssteen en ten aanzien der kosten die daaraan zijn verbonden.

Aan de Ambtshauptman te Neuenhaus, 4 oktober:
Naar aanleiding eene bij mij ingekomene missive van den heer Commissaris des Konings in deze provincie, over de omver geworpene grenssteen nr. 100, heb ik de eer U te verzoeken om zooals wij hebben afgesproken, eene begrooting der kosten te willen doen opmaken met betrekking tot het weder oprigten der bovenbedoelde steen.

Gedeputeerde Staten krijgen op 7 november 1871 deze mededeling: Ik heb de eer U hierbij te doen geworden eene nota van kosten tot wederoprigting der grenssteen nr. 100, opgemaakt door den te Neuenhaus woonachtigen timmerman C. Mecklenburg. Die kosten zijn geraamd op 10 Thaler Pr.Ct. of nagenoeg f. 18,- Nederlandsch en is bovengenoemde timmerman Mecklenburg genegen het werk daarvoor te verrigten.

Vervolgens gaat op 21 november 1871 bericht naar Duitsland:
Van zijde mijner regering heb ik de magtiging bekomen tot de wederoprigting van de grenssteen nr. 100. De kosten daaraan verbonden zullen niet meer mogen bedragen dan 10 Thaler en zal de timmerman Mecklenburg wel bereid zijn daarvoor het werk aan te nemen. Ik verzoek U derhalve gezegden Mecklenburg het werk op te dragen en mij te willen berigten wanneer ik ter plaatse moet komen om bij de plaatsing der steen tegenwoordig te zijn. Eene spoedige afdoening der zaak komt mij wenschelijk voor.

Ziezo, de zaak is in kannen en kruiken. Of nog niet? Zou de Commissaris des Konings zelf eens hebben ge´nformeerd naar de stand van zaken? Op 8 februari 1872 krijgt hij in ieder geval de volgende inlichtingen:
Naar aanleiding van het mij geworden compel d.d. 6e dezer, nr. 15, heb ik de eer te berigten dat de herstelling der grenssteen nr. 100 is opgedragen aan den timmerman Mecklenburch te Neuenhaus en dat die tot dusverre nog niet heeft plaatsgehad en ook nog niet kunnen plaats hebben. De bedoelde grenssteen stond in het Balderhaarscheveen, hetwelk tegenwoordig nauwelijks begaanbaar en geheel onbruikbaar voor het vervoer met paard en wagen is. Met de herstelling der steen zal derhalve waarschijnlijk nog enige tijd gewacht moeten worden en wel tot tijd en wijle dat hare standplaats toegankelijk zal zijn.

Kennelijk houdt de Commissaris des Konings de zaak scherp in de gaten. Op 4 maart 1872 wordt de Ambthauptmann te Neuenhaus er nog eens beleefd aan herinnerd:
Ik neem deze gelegenheid waar om U te verzoeken mij te willen melden wanneer er kan worden overgegaan tot de wederoprigting der grenssteen nr. 100, over welke aangelegenheid ik reeds onderscheidene malen van den heer Commissaris des Konings brieven ontving, die bij mij op eene spoedige afdoening dier zaak aandringt.

Op 7 mei 1872 kan de Commissaris des Konings opgelucht ademhalen:
Bij Uwe missive van 18 november jl., nr. 3631, werd ik gemagtigd de omver gevallen grenssteen nr. 100 te doen oprigten en tot het doen verrigten der vereischte werkzaamheden ter bevestiging dier steen. Lange tijd belette de vochtigheid van het terrein daartoe over te gaan. Gisteren echter heb ik mij op bekomen berigt van de Pruissische authoriteit ter plaatse begeven en heeft de oprigting der steen en de bevestiging daarvan plaats gehad. De kosten daarvan hebben bedragen f. 18,00 of 10 Thalen Pr.C., overeenkomstig de raming der kosten, opgemaakt door den timmerman C. Mekkelenburg te Neuenhaus. De helft daarvan ad f. 9,00 ten laste van Pruissen komende, zal dat bedrag onmiddellijk aan den belanghebbenden betaald kunnen worden en heb ik naar het model mij toegezonden bij Uwe boven aangehaalde brief de declaratie van het verschuldigde door Nederland ad f. 9,00 opgemaakt en die ter teekening naar Neuenhaus opgezonden. Zoodra ik weder in het bezit dier stukken zal zijn, zal ik dien onmiddellijk aan U doen geworden.

Op 14-05-1872 werden inderdaad de stukken naar de Commissaris gestuurd:
Kosten herstelling van grenssteenen. In voldoening aan hetgeen was vervat in Uw aanschrijven d.d. 18e november l.l., nr. 3631/3154, heb ik de eer hiernevens aan U in te zenden eene declaratie in duplo van den timmerman C. Meckelnburg te Neuenhaus ad f. 9,00 wegens herstelling van een grenspaal, zijnde het bedrag door Nederland te voldoen aangezien het bedrag door Pruissen te betalen omiddellijk aan voornoemden Meckelnburg kan worden uitbetaald heb ik vermeend de declaratie niet in quadruplo te moeten inzenden. De deswege door mij opgemaakte declaratie wegens reis- en verblijfkosten heb ik de eer tevens hierbij te voegen.

Maar heeft de timmerman zijn geld al ontvangen? Op 31 juli 1872 wordt daar nog over gecorrespondeerd met de Ambtshauptman te Neuenhaus: Herstelling grensteekens. Hiernevens heb ik de eer U te doen toekomen eene aanvraag van betaling ten behoeve van C. Meckelnburg, met verzoek dat stuk door den belanghebbenden voor voldaan te willen doen teekenen, en daarna aan mij te willen doen retourneren. Het bedrag ad f. 9,00 Meckelnburg aankomende gaat hiernevens in vijf stuks van 1 Thaler.

Na 10 maanden is dit hoofdstuk dan gesloten en beginnen we weer opnieuw:
29 augustus 1873
Aan de Ambtshauptman te Neuenhaus:
Schouw der grensstenen. Ter beantwoording van Uw missive van den 26e augustus j.l. heb ik de eer te berichten dat ik, tot het doen van de schouw der grensstenen mij op maandag den 7 september e.k. des morgens te 10 ure, zal bevinden in Striepe bij de tapperij van Grobbe.

Aafke de Wijk


Bron: de website van HistorieKamer Hardenberg, www.historiekamer.nl